Amélie in het bos 3 – kikker

”Het pad wordt nu wel erg hobbelig hoor. Zullen we teruggaan?” zegt pappa. Maar Amélie vindt het nog leuk en hij wil haar plezier niet bederven. “Als we teruggaan, doen we er waarschijnlijk langer over”, zegt mamma bovendien. Na nog een paar lastige bochten wordt het pad gelukkig breder. De zon schijnt nu door de bladeren, het hele bospad is bezaaid met lichtvlekjes. En dan staan ze ineens voor een open plek. “Oh prachtig!” roept mamma uit, “kijk nou een hele oude eik en een rode beuk naast elkaar.” Ze lopen er naartoe. Amélie gaat tussen de bomen in staan. “Hut bouwen”, zegt ze. Maar mamma wil eerst even uitrusten. “Straks,” zegt ze, “eerst gaan we een boterham eten.”

Niet ver van de bomen staat een bank die gemaakt is van een boomstam. Daar vandaan loopt de bosgrond glooiend af naar een kleine waterplas. “Een prima plek om te picknicken”, zegt pappa. Hij zet de kinderwagen op de rem, controleert of baby Myllie haar dekentje niet heeft afgetrapt en gaat dan naast mamma op de bank zitten. Mamma deelt boterhammen uit. Pappa neemt meteen een paar grote happen. “Dat smaakt! Je krijgt honger van zo’n wandeling of niet, Amélie”, zegt hij. Maar Amélie hoort het niet. Ze is onderweg naar de vijver.

Langs de kant staan rietpluimen en op het water drijven waterleliebladen. Maar dat is het niet wat Amélie lokt. Ze is op het geluid afgegaan, het gekwaak. “Geb-beh, geb-beh”, klinkt er vanaf het water. Er zit een kikker op een lelieblad vlakbij de kant. “Kan jij water spugen kikker?” vraagt Amélie. “Dat kan alleen die kikker in jouw zwembad.” antwoordt het dier. “Maar ik heb een hele mooie bal. Het is mijn lievelingsspeelgoed.” Amélie ziet nu een bal in zachte kleuren naast de kikker op het blad liggen. “Ik heb ook een bal!” Amélie rent naar mamma en vraagt ernaar. Het is die blauwe met noppen en mamma haalt hem uit in de tas.

“Oh nee, niet doen!” roepen pappa en mamma tegelijk, maar tevergeefs. Amélie gooit de bal naar de kikker. Met een grote sprong hopt het diertje het water in. De blauwe bal ligt midden in de vijver en Amélie staat er verbaasd bij te kijken. Waarom springt de kikker weg? Hij wilde toch spelen? Pappa komt te hulp. Hij pakt een lange tak en trekt de bal daarmee naar de kant. “We laten hem opdrogen en leggen hem in de tas. Mag je er thuis weer mee spelen”, zegt hij.

Amélie tuurt over de vijver. De kikker zit een stukje verderop. Naast hem ligt zijn bal, die er nu een beetje bleek uitziet. “Jouw bal is te groot voor mij. Het lukte niet om hem terug te spelen”, kwaakt hij. Amélie begrijpt het: “Geeft niet. Tot ziens.” Ze loopt naar de bank waar haar ouders op zitten. Ze wil geen boterham maar wel een pakje rozijntjes. “Geb–beh, geb-beh”, kwaakt de kikker op de achtergrond. Mamma zegt: “Wat mooi hè, zo’n diertje. Hij is niet zo groot als de kikker van het zwembad. Hij kan ook geen water spugen, maar hij maakt grote sprongen en kwaakt grappig”. “Jaa”, zegt Amélie, “hij heet Geb-be en hij heeft ook een bal.” “Die blaasjes die tevoorschijn komen naast zijn bek als hij kwaakt, bedoel je”, lacht mamma. Daar geeft Amélie geen antwoord op. Pappa stelt voor om zo langzamerhand op te stappen. “Het is nog een behoorlijk eind lopen naar de auto”, zegt hij. Ze pakken de tas in en gaan weer samen onderweg.

Amélie in het bos 2 – elfje

Amélie loopt verder langs het bospad met haar pappa en mamma en haar babyzusje in de kinderwagen. “Maar goed dat de wagen zulke stevige wielen heeft, want het pad wordt nu toch aardig hobbelig”, zegt pappa. Het pad loopt ook nog eens een stukje af. Amélie kijkt goed uit waar ze haar voetjes neerzet. Dan ineens roept ze: “Hoeiii!” en rent het laatste stukje naar beneden. Mamma kijkt bezorgd maar zegt: “Goedzo, knap van je. Kijk daar is een holle boomstronk. Jammer dat die boom is omgewaaid. Maar nu kunnen we er wel beter in kijken. Hmm, ik zie niets hoor”.

Amélie blijft staan. Ze staat heel stil en ze zegt ook niets. Want anders zou ze het elfje wegjagen dat op de boomstronk zit. “Hoi Amélie, waar ga je naartoe?” vraagt het elfje. “Weet ik niet. Gewoon met pappa en mamma mee”, antwoordt Amélie. “Ik zal ze de weg wijzen naar een open plek in het bos. Daar is een waterbron”, zegt het elfje. Amélie weet niet wat dat is. “Het lijkt een beetje op het badje in jullie zwembad”. Dat kent Amélie heel goed. “Met een kikker die water spuugt?” vraagt ze. “Er zijn kikkers en vliegen en er is nog meer”, weet het elfje te vertellen. Tegelijk vliegt ze op en kriebelt pappa in zijn gezicht. Hij veegt met zijn hand langs zijn wang. Dan vliegt ze vlak langs een tak zodat er een beukennootje naar beneden valt. Pappa loopt erheen om hem op te pakken. Als hij weer opkijkt, ziet hij dat het bospad zich een eindje verderop in tweeën splitst.

“Nemen we het rechter- of het linkerpad?” vraagt pappa aan mamma. Mamma denkt even na. Intussen ploft het elfje neer op een bloem die langs het ene pad groeit. Er komt een heerlijke geur vanaf. “Dit pad lijkt me goed”, zegt mamma. Pappa is het met haar eens. Amélie huppelt vooruit. Ze gaat achter het elfje aan, maar dat zien haar ouders niet. “Voorzichtig! Pas op, er lopen boomwortels dwars over het pad. Niet vallen Amélie”, waarschuwt mamma. Maar het gaat goed. Pappa stuurt de kinderwagen handig langs de wortels en met zijn allen gaat ze verder op dit pad.

Amélie in het bos

Op een zonnige herfstdag wandelt Amélie in het bos met haar pappa en mamma en haar babyzusje in de kinderwagen. Langs het bospad zien ze een grote paddenstoel staan. Die heeft een witte steel en een rode hoed met witte stippen. “Niet aankomen”, zegt mamma, “dat is een vliegenzwam. Hij is heel mooi, maar ook giftig. Je krijgt er vreselijke buikpijn van, au au!” Mamma houdt haar hand op haar buik en trekt een raar gezicht. Amélie moet lachen.

Amélie heeft net een liedje geleerd over een kabouter op een paddenstoel, rood met witte stippen. Is hier ook een kaboutertje in de buurt? Ze buigt zich voorover en kijkt eens goed. Ze ziet dat er een deurtje in de steel van de paddenstoel zit. En dat deurtje gaat open! Er komt een kabouter naar buiten. “Hallo Amélie, kom je een kopje thee drinken met mij?”, vraagt hij.

Amélie weet precies wat ze moet doen. Ze maakt zich heel klein, zodat ze door het deurtje past zonder ergens aan te komen. Daarbinnen ziet ze een klein tafeltje staan met twee stoeltjes. Op de tafel staat een theeserviesje. Net zo een als zij zelf heeft thuis. De kabouter schenkt voor allebei een kopje aardbeienthee in. Het is heel gezellig en Amélie wil nog wel blijven, maar buiten roept mamma: “Amélie, nu gaan we verder hoor. Daarginds is een holle boom. Wat zou daar in zitten? Kom je?”

Amélie drinkt haar thee op en stapt weer naar buiten zonder de paddenstoel aan te raken. De kabouter vraagt: ”Kom je nog eens terug?” “Ja hoor, heel vaak!” antwoordt Amélie, “maar nu ga ik eerst naar de holle boom met pappa en mamma. Tot ziens!”

Pappa is al een eindje vooruitgelopen met de kinderwagen. Mamma en Amélie lopen naar hem toe en met zijn allen wandelen ze verder langs het bospad.